Erfelijkheid

ERFELIJKHEID

De ziekte van Huntington is een autosomaal-dominant erfelijke aandoening. Dat betekent dat elk kind van een patiënt, jongen zowel als meisje, evenveel risico loopt om de ziekte te krijgen als om ze niet te krijgen. Een korte uitleg over de erfelijkheid zal dat verduidelijken. Zoals elk levend organisme is de mens opgebouwd uit een ontelbaar aantal cellen. In elke cel bevindt zich een kern waarin 46 chromosomen aanwezig zijn. Die chromosomen zijn de dragers van de erfelijke eigenschappen die van de ene generatie op de andere overgaan. De mens heeft 22 paar chromosomen, ook autosomen genoemd en 2 geslachtschromosomen, samen dus 46. Van elk paar is telkens één chromosoom afkomstig van de vader en één van de moeder. Op al deze chromosomen bevinden zich de genen. Elk gen is verantwoordelijk voor één erfelijke eigenschap, bv. de kleur van de ogen. Wie lijdt aan de ziekte van Huntington bezit dus het afwijkende gen waardoor bepaalde delen van de hersenen afsterven en de lichamelijke en geestelijke functies worden verstoord.

Met autosomaal wordt bedoeld dat het gen, dat voor de ziekte van Huntington verantwoordelijk is, zich niet op de geslachtschromosomen bevindt maar op de autosomen. Vandaar dat het tot uiting komen van de ziekte onafhankelijk is van het geslacht.

De term dominant houdt in dat het volstaat dat men van één ouder het ziekmakende gen heeft geërfd om de ziekte van Huntington te krijgen. Wie het ziekmakende gen heeft geërfd, zal de ziekte, vroeg of laat, ziek worden. Wie het zieke gen niet heeft geërfd, zal de ziekte niet krijgen en dus ook niet kunnen doorgeven aan zijn kinderen. Sommigen kunnen evenwel overlijden vooraleer de ziekte bij hen tot uiting kwam, terwijl ze toch drager waren van het gen en het misschien wel hebben doorgegeven aan hun nageslacht. Zo ontstaat soms, ten onrechte, de indruk dat de ziekte een generatie heeft overgeslagen of dat de ziekte niet werd overgeërfd. Personen van wie één van de ouders het gen dragen, lopen dus het risico om zelf de ziekte te krijgen. Daarom worden zij risicodragers genoemd.

Het gen, dat verantwoordelijk is voor de ziekte van Huntington, werd pas in 1983 gelokaliseerd  op chromosoom 4. En het vergde nog eens tien jaar om de plaats van het verantwoordelijke gen op chromosoom 4 nauwkeurig te bepalen. In 1993 werd uit de miljarden bouwstenen waaruit een chromosoom is samengesteld, een groep van enkele tientallen opeenvolgende schakels geïsoleerd, die alleen bij patiënten met de ziekte van Huntington in die vorm werd aangetroffen. Het geïsoleerde gen bestaat vooral uit de bouwstenen C, A en G, die enkele tientallen malen na elkaar herhaald worden: CAG-CAG-CAG-CAG… Het blijkt nu dat bij mensen die de ziekte van Huntington hebben overgeërfd, deze herhaling meer dan 40 maal plaats vindt. Bij gezonde individuen de herhaling beperkt blijft tot 30 maal of minder.

De ontdekking van het gen heeft vanzelfsprekend nog niet geleid tot een remedie of middel om het doorgeven van het afwijkend gen te voorkomen. Maar de zoektocht naar de afwijkingen in de hersenen kan worden voortgezet vanuit dat basisgegeven. Het gen staat immers in voor de aanmaak van bouwstenen, proteïnes genoemd, die op hun beurt tal van functies vervullen in ons lichaam. Door de afwijking in het gen is er zeker ook een afwijking in de bouwstenen. De zoektocht naar deze afwijkingen kan zeer fundamentele gegevens opleveren omtrent het verloop van de ziekte. Het weze echter duidelijk dat het ontwikkelen van zeer specifieke en mogelijk oorzakelijke behandelingsvormen nog veel en langdurig onderzoek zal vergen.