Diagnose

DIAGNOSE

Sinds de ontdekking van het Huntington-gen in 1993 werd een nieuwe, wellicht historische stap voorwaarts gezet. Niet alleen in het onderzoek naar de behandeling van de ziekte, maar ook voor de diagnosestelling zijn er belangrijke gevolgen: men kan nu met zekerheid de aanwezigheid van het Huntington-gen vaststellen door DNA-onderzoek van slechts één bloedstaal van de betrokkene. Dit betekent dat het stellen van de diagnose, op enkele grote uitzonderingen na, technisch geen probleem meer oplevert.
Indien de behandelende geneesheer beginnende symptomen van de ziekte vaststelt, kan men eenvoudig en snel (technisch) uitmaken of deze persoon het gen voor de ziekte van Huntington heeft. Hier spreekt men van de diagnostische test. Indien mensen zonder symptomen uit een Huntingtonfamilie willen weten of ze drager zijn van het gen, kunnen ze zich wenden tot een genetisch centrum voor een presymptomatische of predictieve test. Het is heel belangrijk het onderscheid te maken tussen een diagnostische test bij een zieke en een predictieve test bij een persoon zonder symptomen, ook al gaat het technisch om hetzelfde DNA-onderzoek.
Om een exact beeld te krijgen van de ziekte bij een individuele patiënt zijn verdere onderzoeken noodzakelijk. Niet alleen moet er een nauwkeurig bilan gemaakt en bijgehouden worden van de symptomen en de resterende mogelijkheden van de Huntingtonpatiënt, elke behandeling moet bovendien geëvalueerd kunnen worden naar efficiëntie en bijwerkingen.

De Diagnostische Test
Vroeger werd een diagnose gesteld op basis van een combinatie van de familiegeschiedenis (stamboom) en van de lichamelijke en/of geestelijke symptomen. De ontdekking van het Huntington-gen heeft ook op dit terrein onmiddellijke en ingrijpende gevolgen. Vrij snel werd immers een methode uitgewerkt waardoor men bij patiënten met symptomen van de ziekte van Huntington met zekerheid de diagnose kan stellen: dit wordt de diagnostische test genoemd. Na de ontdekking van het gen werd een DNA-test ontwikkeld waarbij de hoger beschreven herhaling van het CAG- fragment bepaald kan worden. Hiervoor heeft men enkel een bloedstaal van de patiënt nodig. De uitslag van de test is zeker conclusief wanneer de CAG-staart meer dan 40 herhalingen telt.

Hieronder volgt een kort overzicht van mogelijke onderzoeken.

Neurologisch onderzoek
De neuroloog onderzoekt de lichamelijke toestand van de patiënt. Hij evalueert onder andere de spierfunctie, de gevoeligheid van de huid, de gang, het evenwicht, de coördinatie en de spraak. Bij de ziekte van Huntington wordt vooral de ernst en de aard van de onvrijwillige bewegingen onderzocht, de mobiliteit, de slikfunctie, de spierspanning en de spraak. Vaak zullen aanvullend een aantal zogenaamde technische onderzoeken uitgevoerd worden om de symptomen nauwkeuriger te meten.

Hiervoor staan ter beschikking:

  • EEG (elektro-encefalogram): hierbij worden elektroden uitwendig op de huid van de schedel geplaatst om de elektrische activiteit van de hersenschors te meten;
  • CT-scan (computertomografie) van de hersenen: hierbij maakt men foto’s van een doorsnede van de hersenen op een bepaalde hoogte;
  • NMR (nuclear magnetic resonance) of kernspintomografie: dit onderzoek geeft grotendeels dezelfde beelden als bij een CT-scan, doch van veel betere kwaliteit;
  • SPECT (single photon emission computed tomography): hierbij wordt een radioactieve stof met korte halveringstijd bij de patiënt ingespoten. Deze stof wordt door de bloedbaan naar de hersenen gevoerd en er opgenomen. Wanneer de radioactiviteit gemeten wordt in de verschillende hersengedeeltes, krijgt men een beeld van de bloedvoorziening in de hersenen;
  • PET (positron emission tomography): het onderzoek verloopt zoals bij SPECT, maar er worden andere stoffen gebruikt. Hierdoor kunnen ook andere processen, zoals de opname van sommige voedingsstoffen of de verdeling van geneesmiddelen, aangetoond worden;
  • geëvoceerde potentialen: door middel van elektroden op de huid van de schedel gaat men de elektrische activiteit na die opgewekt (geëvoceerd) wordt door prikkeling van het gehoor, het zicht of de huid.

Psychiatrisch onderzoek
Tijdens een aantal gesprekken zal de psychiater zicht trachten te krijgen op het psychisch functioneren. Grofweg wordt deze inschatting in drie gebieden opgedeeld:
het nagaan van zogenaamde functionele stoornissen. Hierbij worden symptomen als depressie, waangedachten, prikkelbaarheid, achterdocht en karakterveranderingen gediagnosticeerd;
het inschatten van neurocognitieve veranderingen. Het betreft hier concentratie- en geheugenstoornissen, spraakstoornissen en eventueel tekens van een beginnend dementie syndroom;
het inschatten van de weerslag van al deze problemen op het dagelijks functioneren. De draagkracht van zowel de patiënt als zijn omgeving wordt geëvalueerd.

Neuropsychologisch onderzoek
Bij het neuropsychologisch onderzoek worden aan de hand van diverse opdrachten de mentale capaciteiten en de psychomotorische vaardigheden in de verschillende stadia van de ziekte gevolgd. Ook het effect van medicatie wordt objectief nagegaan.
Naast het gesprek bestaat dit neuropsychologisch onderzoek voor het grootste gedeelte uit het afnemen van standaardtests waarin de vele aspecten van het cognitieve functioneren worden gemeten: intelligentie (logisch redeneren, begripsvermogen, rekenvaardigheid, ruimtelijk inzicht), geheugen en concentratie.
Er wordt ook aandacht besteed aan de psychomotorische vaardigheden in het kader van verbale en motorische expressie, waarbij zowel eenvoudige spraak-, schrijf- en tekenopdrachten worden aangeboden als specifieke tests voor reactiesnelheid, motorische coördinatie en handvaardigheid. Eventueel worden ook persoonlijkheidstesten afgenomen.
Door regelmatig en gedetailleerd neuropsychologisch onderzoek kan men de mogelijkheden van de zieke zeer nauwkeurig opvolgen. Dit kan belangrijke gevolgen hebben voor de behandeling en voor de globale aanpak.

Stamboomonderzoek
Vroeger was het opmaken van een gedetailleerde familiestamboom essentieel voor het stellen van de diagnose. In vorige generaties moest men immers aanwijzingen van een dominant overervingpatroon vinden.
Dit stamboomonderzoek is ook na het ontdekken van het gen en de daaraan gekoppelde test ter bevestiging van de diagnose van groot belang. Het is belangrijk dat betrokkenen zoveel mogelijk gegevens in dit verband aan de arts meedelen. Vaak wordt het vermoeden van de aanwezigheid van een erfelijke ziekte in de familie angstvallig verzwegen of pas na herhaald aandringen meegedeeld. Soms ontbreken er gegevens. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een ziek familielid overlijdt zonder dat men de juiste doodsoorzaak kent of vooraleer hij symptomen van de ziekte ontwikkeld heeft.
De stamboomgegevens worden met de grootste omzichtigheid gebruikt en het beheer ervan valt onder de strikte reglementering van de wet tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

Autopsie
Waar dit hersenonderzoek na het overlijden van de patiënt vroeger soms zeer belangrijk was omdat het de enige mogelijkheid voor een betrouwbare diagnose inhield, is dit belang nu eerder van wetenschappelijke aard. Het nauwkeurig vaststellen van hersenafwijkingen geeft nog steeds goede informatie over de gevolgen van deze aandoening. In het licht van toekomstige behandelingsmogelijkheden kan het van belang zijn de invloed van de aandoening op de hersenen minutieus vast te stellen.